Achtergrondinformatie ‘The right to food or fuel’

Voor de viering van Wereldvoedseldag 2007, richt Stichting Wereldvoedselvraagstuk zich op de vraag of de stimulering van biobrandstoffen leidt tot meer honger in de wereld. Een zeer actueel thema waarbij emoties een grote rol spelen en waarbij meningen zijn verdeeld. Maar wat zijn de feiten? En wat is het juiste biobrandstoffenbeleid voor Nederland en Europa?

Door middel van twee expertbijeenkomsten, een publieksbijeenkomst en het communiceren van de uitkomsten, wil de stichting bijdragen aan de bewustwording over dit onderwerp en de kennis verdiepen. Hieronder vindt u achtergrondinformatie over het thema: The right to food or fuel.

Toenemende druk op landbouwgrond

De druk op geschikte landbouwgrond neemt wereldwijd toe. Dit heeft een aantal oorzaken.

Ten eerste groeit de wereldbevolking. De voorspelling van de VN is dat in 2050 de wereldbevolking zal groeien met 2,5 miljard, tot een totaal van 9,2 miljard. Het inwoneraantal van de ontwikkelde wereld blijft stabiel op 1,2 miljard. De groei komt vrijwel volledig voor rekening van de ontwikkelingslanden. Hun inwoneraantal zal groeien van 5,4 tot 7,9 miljard.

Ten tweede neemt de welvaart wereldwijd toe waardoor het beslag op alle hulpbronnen toeneemt. Het sterkst zal dit het geval zijn in China, India en een aantal andere opkomende economieën. De bevolking krijgt meer koopkracht en eet daardoor meer dierlijke producten en verbruikt meer energie.

Vietnam street scene (c) 2007 Koen Schuurmans

Ten derde neemt de hoeveelheid grond die geschikt is voor landbouw af door erosie, uitputting van bodems en verzilting en mogelijk ook door klimaatverandering.

volgende pagina >>

Daarnaast is de beschikbaarheid van zoetwater een beperkende factor. In de VN klimaatconferentie van 2 april 2007 werd gesteld dat vooral het zuiden van de planeet zal lijden onder de droogte en de overstromingen door klimaatverandering. Afrika zal 5% meer droge gebieden tellen als het drie graden warmer wordt. Bovenop deze afnemende capaciteit voor landbouwproductie en onzekerheden door klimaatverandering is er de laatste tijd extra vraag gekomen van landbouwproducten vanwege de verplichte bijmenging van biobrandstoffen aan transportbrandstoffen. De productie van deze biobrandstoffen legt ook beslag op landbouwgrond, maar ook op water, nutriënten en arbeid. Dit vraagt om substantiële kapitaalsinvesteringen.

Stimulering biobrandstoffen

Klimaatverandering, onstabiele geopolitieke verhoudingen en het opraken van fossiele brandstoffen maken dat landen op zoek gaan naar alternatieve energiebronnen. Eén mogelijkheid is biobrandstof. Dit is brandstof gemaakt van dierlijk of plantaardig materiaal, zoals suikerriet, soja, maïs, tarwe, koolzaad, dierlijk vet, palmolie en andere plantaardige oliën.

Bioethanol

Door biobrandstoffen te gebruiken kan de uitstoot van CO2 worden beperkt. CO2 wordt als de grootste veroorzaker van klimaatverandering gezien. Bij het gebruik van fossiele brandstoffen komt de daarin opgeslagen CO2 vrij. Omdat bovengenoemde gewassen in vrijwel alle landen geteeld kunnen worden, zijn biobrandstoffen een goede maner om minder afhankelijk te worden van instabiele olieleverende landen. In de Verenigde Staten maken pompstations bijvoorbeeld reclame met biobrandstoffen onder het mom van ‘Terror free oil’.

<< vorige pagina      volgende pagina >>

Voedsel en biobrandstoffen in Europa

In Europa en Nederland geldt dat in 2020 10% van de fossiele brandstoffen vervangen moet zijn door biobrandstoffen gemaakt van “biomassa”. Dit heeft geleid tot een grote toename van het areaal koolzaad, tarwe, suikerriet en maïs die worden ingezet voor de productie van brandstof in plaats van voedsel of veevoer.

Sugar Cane

Europa kan zelf niet voldoende biomassa produceren voor haar eigen behoefte en daarom kunnen we niet zonder het importeren van biomassa. Landen zoals Brazilië en Maleisië springen hier handig op in en breiden de teelt van soja, suikerriet en palmolie sterk uit.

Dit gaat ten koste van de natuur, maar dreigt ook ten koste te gaan van de voedselproductie. Veelal gebeurt dit door investeringen van buitenlandse ondernemingen. Ook in arme landen, zoals Afrikaanse, zijn investeerders op zoek naar investeringsmogelijkheden voor bio-energie.

De effecten op de voedselsituatie lijken dan ook niet uit te blijven. Enkele krantenkoppen van afgelopen tijd: ‘Palmolie mag niet ten koste gaan van voedsel’, ‘Bijmengplicht ramp voor Zuiden’, ‘Biobrandstof bedreiging voor voedselproductie’, ‘Snelle ontwikkeling biobrandstoffenindustrie zal komende decennia sleutelrol spelen in prijsvorming’.

Anderzijds biedt deze nieuwe markt ook kansen in Europa: agrariërs krijgen op termijn hogere prijzen voor hun gewassen, de uitstoot van CO2 kan verminderd worden, er kan zich een nieuwe economische sector ontwikkelen en de eigen voorziening in brandstof vermindert de afhankelijkheid.

<< vorige pagina      volgende pagina >>

Voedsel en biobrandstoffen in ontwikkelingslanden

Gezien de ontwikkeling van de bevolkingsgroei, de koopkracht en de klimaatverandering neemt de druk op de al schaarse landbouwgrond en water in ontwikkelingslanden toe. De verwachting is dat de voedselprijzen zullen stijgen en daardoor zal minder voedsel beschikbaar zijn voor de armste mensen. Daarnaast reageren ontwikkelingslanden als India, Maleisië, Brazilië, Indonesië maar ook Pakistan, Swaziland, Zimbabwe, Oekraïne, Peru, Guatemala, Bolivia, Panama en Nicaragua op de vraag van biobrandstoffen uit Europa. Hierdoor groeit hun welvaart, maar dit kan mogelijk ten koste gaan van natuur en de voedselproductie. Daarbij is het de vraag of de veelal arme landbouwbevolking kan profiteren van deze ontwikkelingen of dat het vooral grotere ondernemingen zullen zijn die er van profiteren. Kortom, het is duidelijk dat het Europese biobrandstoffenbeleid van invloed is op ontwikkelingslanden. Dit kan positief, maar ook negatief zijn voor bijvoorbeeld honger, armoede en natuur in ontwikkelingslanden.

Eerste en tweede generatie brandstoffen

De huidige biobrandstoffen worden eerste generatie biobrandstoffen genoemd. Dit zijn brandstoffen die gemaakt worden van maïskorrels, tarwekorrels, suiker van suikerriet of suikerbiet, plantaardige oliën van koolzaad, sojabonen of oliepalm, oftewel van voedsel. Wetenschap en bedrijven zijn hard op zoek naar manieren om (ligno)cellulose om te zetten naar biobrandstoffen, de zogenoemde tweede generatie. (Ligno)cellulose zit in die delen van de plant (blad, hout) die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie. Door deze delen van planten ook te gebruiken zal de totale reductie van CO2 emissies toenemen en zal de directe concurrentie met voedsel verminderen. De concurrentie om natuurlijke hulpbronnen blijft echter onverminderd bestaan, omdat voor de productie van die plantedelen ook land, water en andere hulpbronnen zoals mineralen, nodig zijn. Theoretisch zou in het geval van de tweede generatie biobrandstoffen een gewas zowel voor voedsel als voor biobrandstof gebruikt kunnen worden. Echter de voorspelling is dat de ontwikkeling van de tweede generatie biobrandstoffen zeker nog tien tot vijftien jaar duurt.

<< vorige pagina      volgende pagina >>

Effect biobrandstoffen op VN Millenniumdoelen

De VN Millenniumdoelen, nr. 1 ‘Halveren van de armoede en minder mensen met honger’ en nr. 7 ‘Bescherming van het milieu’ komen mogelijk onder druk te staan door de stimulering van biobrandstoffen.

De wetenschap, maar ook de FAO (Wereldvoedselorganisatie) en WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) zijn er niet uit. De één is van mening dat zeker de eerste generatie biobrandstoffen tot voedseltekorten gaat leiden en ten koste gaat van natuur. Dit wordt bevestigd door de berichten uit Mexico waar de tortilla door de stijgende maïsprijs onbetaalbaar was voor het armste deel van de bevolking. De ander is van mening dat een prijsstijging goed is voor de voedselproducerende ontwikkelingslanden, omdat ze zorgen voor meer inkomsten doordat de wereldvoedselprijzen stijgen. Weer anderen zijn van mening dat er bij hoogwaardige landbouw voldoende land voor voedsel en brandstof is in de wereld. Naast land kan de beschikbaarheid van met name water en nutriënten te beperkend blijken.

Gezien de vele open einden en vragen is er behoefte aan een discussie die verdiept moet worden en aan een discussie waarin het wereldvoedselvraagstuk extra aandacht verdient. Momenteel ligt de focus in de discussie op de gunstige beïnvloeding van klimaatverandering en de nadelige gevolgen voor biodiversiteit. De gevolgen voor honger en armoede op de wereld komen nog niet veel aan de orde.

Stichting Wereldvoedselvraagstuk zal met het thema ‘Right to food or fuel’ de publieke en politieke discussie verdiepen, zodat naast klimaat, natuur, politiek ook de belangen van honger en armoede mee worden genomen in de discussie rond biobrandstoffen.

<< vorige pagina